3 september 2012
Onderweg en Thuis: De Maranatha Generatie
Onderweg en Thuis: De Maranatha Generatie: Lees hier onze nieuwsbrief. Het lijkt een beetje een uitstervend ras omdat het vrijwel zonder uitzondering oudere gelovigen zijn die zich...
7 januari 2012
6 januari 2012
3 oktober 2011
De God van mijn vader XXVI De dood en daarna.
Het
sterven speelde een grote rol in mijn leven. Vanaf het begin. In het
doopformulier wat mij werd voorgelezen toen ik er nog niets van verstond
staat: “opdat zij dit leven (hetwelk toch niet anders is dan een
gestadige dood) om uwentwil, getroost, verlaten, en ten laatsten dage
voor den rechterstoel van Christus, uw Zoon, zonder verschrikken mogen
verschijnen” Dat was het sindsdien ook: een gestadige, voortdurende
dood. In feite was niets écht belangrijk in dit leven. Het was
ijdelheid, lucht en leegte zouden we nu zeggen. Het ging maar om één
ding: Hoe word ik behouden. Hoe krijg ik een “borg voor mijn ziel”. En
hoewel het daarom ging kon je er niets aan doen. Daarbij werden vreemde
uitdrukkingen gebruikt:”Je kan geen nagelschrapseltje toevoegen aan je
zaligheid” Wie dat nagelschrapseltje had bedacht en hoe het er precies
uitzag wist ik niet, maar het klonk altijd wel indrukwekkend. Wat die
doop precies betekende was ook nogal onduidelijk. Je was op het “erf van
het verbond” geboren en moest daar blij mee zijn. Tegelijk hield het
geen bevoorrechte positie in. Iedereen, ook ongedoopten, konden
uitverkoren zijn. En als jij als gedoopte niet uitverkoren bleek te zijn
- en dus door eigen schuld verloren zou gaan - zou dat “gedoopte
voorhoofd” nog tegen je getuigen. Ik nam het allemaal bloedserieus. Ik
wilde - toen al - weten wat de waarheid was. En dit was natuurlijk waar,
want de enigen die het konden weten, mijn ouders en mijn opa’s en
oma’s, brachten het mij bij. Tot aan de dood was er altijd een kans om
gered te worden. Daarna niet meer, want “zo de boom valt zo blijft hij
eeuwig liggen”. Sombere waarheid, die niet gold voor rooms katholiek
mensen. Die baden voor overledenen. Dat was zonde. Het werd er alleen
maar erger van. Al vroeg las ik het boekje “Anton en zijn vrienden” van
Vreugdenhill. Een vreselijk boekje, waarin een jonge Anton, die door het
ijs was gezakt na schaatsen op zondag, komt te sterven. Schreeuwend
ging hij dood: ”voor eeuwig te laat!” Zijn ouders zater en zwijgend bij
en hadden geen oplossing, laat staan troost. Het staat nog op de
uitleenlijst van sommige kerken!
28 september 2011
De God van mijn vader XXV Leven en dood.
In die tijd werd ik geconfronteerd met de dood. Kort achter elkaar behandelde ik als politieman een paar dodelijke ongevallen. De eerste dode was een non van 23 jaar. Achter in de auto bij twee pastors waren ze over de Merwedebrug in Vianen gescheurd en uit de bocht gevlogen. Eén van beide pastores was zwaar gewond. Zijn kaak was verbrijzeld en het zag er ernstig uit voor hem. Het meisje lag in de berm, mooi en onbeschadigd. Maar wel dood. Verdoofd en verbaasd handelde ik de nodige formaliteiten af. We zeggen 1973 en alles was nogal primitief. Het meisje werd op een brancard achter in de volkswagenbus van de politie gelegd en ik moest haar naar de aula in Lexmond rijden. Samen met meneer Stokman, een oude man die slachtoffers aflegde, droeg ik haar naar binnen en hielp hem het meisje te ontkleden, te wassen en een pyjama aan te trekken. Het naakte lichaam van de non, met haar lange witte sokken is mij altijd bijgebleven. Het was raar dat ik haar ontkleedde en haar naaktheid zag en aanraakte. Dat was nog vreemder dan het aanraken van een dode. Ze was net zo oud als ik. En ouder zou ze niet worden. Was ik geschokt? Dacht ik aan dood en leven, hemel en hel? Wat had God hiermee te maken? Haar ouders moesten haar identificeren en deden dat bidden en kruisjes makend. Raar vond ik. Maar wel mooi. Roomse mensen wisten wat ze te doen stond bij een dode. Ik “wist” dat het niks uit zou halen. En zeker niet voor een non. Maar mooi was ze wel! En zou zo iemand dan naar de hel gaan? Ik verdrong de gedachte. Kon er ook nauwelijks over praten. Niet met collega’s, niet thuis. De God van mijn vader zou niet twijfelen. Nonnen waren niet uitverkoren, dan zouden ze geen nog geweest zijn. En zeker niet non gebleven zijn. God had een arm en ellendig volk. Geen jonge, mooie nonnetjes.
1 augustus 2011
De God van mijn vader XXIV Verloofd zonder kerk.
Dat deed je toen nog: verloven. De datum ervan staat nog in onze ringen en elk jaar op 13 december (ja het was toen vrijdag en het was geen bijgeloof) krijgt Wilma een bloemetje van me. Volgens mijn schoonvader was je eigenlijk al getrouwd als je verloofde en volgens mijn ouders kon het dan nog alle kanten uit. Daarom was verloven best nog wel gezellig. De God van mijn vader kwam er niet bij te pas, behalve dan bij het bidden voor de maaltijd. Wilma vonden ze best lief (en dat was ze ook) en al droeg ze wat korte rokjes het kon ermee door.
Over geloof werd niet veel gesproken. De eerste keer dat Wilma met mij meeging naar de (onze Gereformeerde-Gemeente) kerk was een gebeurtenis om nooit te vergeten. We kwamen uit Vianen en scheurden naar H.I. Ambacht om nog op tijd te zijn. Onderweg bedacht ik dat ze natuurlijk een hoedje op moest en dat had ze niet eens. Dus reden we nog wat harder en eerst langs mijn ouderlijk huis, waar ik een hoedje uit een kast griste. Ze moest het opzetten van mij en weer 5 minuten later renden we zo’n beetje als laatsten de kerk binnen. Nagestaard door de hele gemeente. Ik dacht omdat ze Wilma zo mooi en zo ongereformeerd vonden. Volgens Wilma staarden ze om het hoedje.
Uit de dienst (dat noemden wij niet zo, wij zeiden gewoon “na de kerk”) vroeg mijn vader wat Wilma er van vond. Dat was wel bijzonder want daar werd weinig naar gevraagd thuis. Toen Wilma heel moedig en angstig tegelijkertijd uitbracht dat ze er helemaal niets van begrepen had zei mijn vader:”Maar meisje, dan ken jij de tale Kanaäns niet”. Omdat ze dat ook al weer niet begreep deed ze er verder maar het zwijgen toe. Tot en met de verloving deed die tale Kanaäns er ook nog niet zo toe. We waren nog niet getrouwd dus er sliepen nog geen twee geloven op één kussen. Het kon nog alle kanten uit en de verlovingsdag was gewoon gezellig.
Over geloof werd niet veel gesproken. De eerste keer dat Wilma met mij meeging naar de (onze Gereformeerde-Gemeente) kerk was een gebeurtenis om nooit te vergeten. We kwamen uit Vianen en scheurden naar H.I. Ambacht om nog op tijd te zijn. Onderweg bedacht ik dat ze natuurlijk een hoedje op moest en dat had ze niet eens. Dus reden we nog wat harder en eerst langs mijn ouderlijk huis, waar ik een hoedje uit een kast griste. Ze moest het opzetten van mij en weer 5 minuten later renden we zo’n beetje als laatsten de kerk binnen. Nagestaard door de hele gemeente. Ik dacht omdat ze Wilma zo mooi en zo ongereformeerd vonden. Volgens Wilma staarden ze om het hoedje.
Uit de dienst (dat noemden wij niet zo, wij zeiden gewoon “na de kerk”) vroeg mijn vader wat Wilma er van vond. Dat was wel bijzonder want daar werd weinig naar gevraagd thuis. Toen Wilma heel moedig en angstig tegelijkertijd uitbracht dat ze er helemaal niets van begrepen had zei mijn vader:”Maar meisje, dan ken jij de tale Kanaäns niet”. Omdat ze dat ook al weer niet begreep deed ze er verder maar het zwijgen toe. Tot en met de verloving deed die tale Kanaäns er ook nog niet zo toe. We waren nog niet getrouwd dus er sliepen nog geen twee geloven op één kussen. Het kon nog alle kanten uit en de verlovingsdag was gewoon gezellig.
27 juli 2011
De God van mijn vader XXIII De kerk.
Wat is nu eigenlijk de kerk? Evangelischen konden vroeger het woord niet eens uitspreken. Zij hadden het over de Geméénte! Naar buitenstaanders moest (en moet?) je steeds weer uitleggen dat die gemeente geen burgemeester heeft maar een voorganger, geen wethouders maar een oudstenraad. Wat in bepaalde gevallen trouwens ongeveer hetzelfde is. Kerkbesef, historisch besef is er bij evangelischen nauwelijks. De meesten weten niet eens de oorsprong van de pinkster, cama, baptisten, doopsgezinde gemeenten. Bij de Hervormden (nu PKN) is dat heel anders. Nou ja, héél anders ook weer niet, maar zij weten dat zij in de kerk der vaad’ren zitten. Vaders en moeders zijn daar gedoopt, getrouwd en begraven. O God, Die droeg ons voorgeslacht. Nageslacht is er tegenwoordig nauwelijks meer dus raakt de kerk onbevolkt. Ook als hij niet leegloopt. Maar wat ís die kerk nu eigenlijk. Was Adam ook lid van de kerk? Volgens Calvijn wel. De eerste kerk en hij was voorganger en raad en lid en alles tegelijk. De kerk bestaat uit “uitgeroepenen”. Uit de wereld geroepen. Adam, Noach (waarschijnlijk met een orgel van Jubal in de ark) Abraham, Mozes, Jesaja, allemaal kerk! Anderen zeggen weer dat de kerk “geboren”werd op de eerste pinksterdag. Toen Gods Geest alle gelovigen verbond tot het Lichaam van Christus. Je moet intussen al behoorlijk ingeschoten zijn om al dit gedoe te begrijpen. Als buitenstaander zie al de verschillende bordjes bij de deuren van de kerken. Sommigen roepen heel hard welkom. Bij anderen is de toestroom zo buitenissig dat je het als onbekende gast wel uit je hoofd laat. Er zal hoop ik wel nergens meer een groen lampje gaan branden voor de gasten, zoals vroeger in de kerk van mijn vader. Vijf minuten voor aanvang waren de vooraf betaalde plaatsen vrij en mochten eventuele bezoekers gaan zitten. Die stonden soms in groepjes te wachten in het gangpad aan het eind. Dat was niet erg, want zij kwamen ook uit kerken met groene lampjes en wisten hoe dat werkte. Echte buitenstaanders kwamen er niet. Eenmaal binnen valt het ook niet mee. Gaan ze staan, blijven ze zitten. Moet je betalen of niet? Is er avondmaal, eucharistie, moet je erheen of komen ze het brengen? Moet je je voorstellen aan je buurman of vrouw of juist heel stilhouden? Wat betekent “onze hulpe is in de name des Heeren” of - heel anders en toch hetzelfde - “dit is de dag die God ons geeft”. Juist deze dag of elke dag? Is er een dominee, of een broeder of zelfs een zuster. Zijn die dan allemaal familie? Ach, we begrijpen het wel een beetje. Het golf- tennis- en wielren jargon is ook niet eenvoudig om over de new-age kerk nog maar te zwijgen. Voor alle duidelijkheid: dat is natuurlijk geen kerk en ook geen gemeente en Adam en Eva waren er zéker geen lid van.
Abonneren op:
Posts (Atom)
-
Ik heb het boek "Love wins"van Rob Bell besteld. Zijn promo filmpje op You Tube raakte mij , zoals dit onderwerp altijd weer doet....
-
De hel is noodzakelijk voor een vrije keuze. En tegelijk een onmogelijkheid bij een vrije keuze. Hoe kan je vrij zijn als er maar twee keuze...
-
ZINGEN Tegenwoordig zingen we alleen nog maar in de kerk of (heel soms) op het voetbalveld. Ik bedoel dan iedereen, want er wordt natuurl...