18 september 2012

PVV steunt verzoek heropening 'zaak Demmink' - Katholiek Nieuwsblad

PVV steunt verzoek heropening 'zaak Demmink' - Katholiek Nieuwsblad

De PVV heeft vandaag bij monde van Europarlementariër Lucas Hartong, lid van de VS Delegatie, haar steun uitgesproken aan een verzoek van vier Amerikaanse Congresleden om het onderzoek naar mr. Joris Demmink te heropenen.
Dat deed de fractie door middel van een brief met vragen aan de voorzitter van de VS Delegatie, de Duitse christendemocraat Ehler.

3 september 2012

Onderweg en Thuis: De Maranatha Generatie

Onderweg en Thuis: De Maranatha Generatie: Lees hier onze nieuwsbrief. Het lijkt een beetje een uitstervend ras omdat het vrijwel zonder uitzondering oudere gelovigen zijn die zich...

3 oktober 2011

De God van mijn vader XXVI De dood en daarna.

Het sterven speelde een grote rol in mijn leven. Vanaf het begin. In het doopformulier wat mij werd voorgelezen toen ik er nog niets van verstond staat: “opdat zij dit leven (hetwelk toch niet anders is dan een gestadige dood) om uwentwil, getroost, verlaten, en ten laatsten dage voor den rechterstoel van Christus, uw Zoon, zonder verschrikken mogen verschijnen” Dat was het sindsdien ook: een gestadige, voortdurende dood. In feite was niets écht belangrijk in dit leven. Het was ijdelheid, lucht en leegte zouden we nu zeggen. Het ging maar om één ding: Hoe word ik behouden. Hoe krijg ik een “borg voor mijn ziel”. En hoewel het daarom ging kon je er niets aan doen. Daarbij werden vreemde uitdrukkingen gebruikt:”Je kan geen nagelschrapseltje toevoegen aan je zaligheid” Wie dat nagelschrapseltje had bedacht en hoe het er precies uitzag wist ik niet, maar het klonk altijd wel indrukwekkend. Wat die doop precies betekende was ook nogal onduidelijk. Je was op het “erf van het verbond” geboren en moest daar blij mee zijn. Tegelijk hield het geen bevoorrechte positie in.  Iedereen, ook ongedoopten, konden uitverkoren zijn. En als jij als gedoopte niet uitverkoren bleek te zijn - en dus door eigen schuld verloren zou gaan - zou dat “gedoopte voorhoofd” nog tegen je getuigen. Ik nam het allemaal bloedserieus. Ik wilde - toen al - weten wat de waarheid was. En dit was natuurlijk waar, want de enigen die het konden weten, mijn ouders en mijn opa’s en oma’s, brachten het mij bij. Tot aan de dood was er altijd een kans om gered te worden. Daarna niet meer, want “zo de boom valt zo blijft hij eeuwig liggen”. Sombere waarheid, die niet gold voor rooms katholiek mensen. Die baden voor overledenen. Dat was zonde. Het werd er alleen maar erger van. Al vroeg las ik het boekje “Anton en zijn vrienden” van Vreugdenhill. Een vreselijk boekje, waarin een jonge Anton, die door het ijs was gezakt na schaatsen op zondag, komt te sterven. Schreeuwend ging hij dood: ”voor eeuwig te laat!” Zijn ouders zater en zwijgend bij en hadden geen oplossing, laat staan troost. Het staat nog op de uitleenlijst van sommige kerken!

28 september 2011

De God van mijn vader XXV Leven en dood.

In die tijd werd ik geconfronteerd met de dood. Kort achter elkaar behandelde ik als politieman een paar dodelijke ongevallen. De eerste dode was een non van 23 jaar. Achter in de auto bij twee pastors waren ze over de Merwedebrug in Vianen gescheurd en uit de bocht gevlogen. Eén van beide pastores was zwaar gewond. Zijn kaak was verbrijzeld en het zag er ernstig uit voor hem. Het meisje lag in de berm, mooi en onbeschadigd. Maar wel dood. Verdoofd en verbaasd handelde ik de nodige formaliteiten af. We zeggen 1973 en alles was nogal primitief. Het meisje werd op een brancard achter in de volkswagenbus van de politie gelegd en ik moest haar naar de aula in Lexmond rijden. Samen met meneer Stokman, een oude man die slachtoffers aflegde, droeg ik haar naar binnen en hielp hem het meisje te ontkleden, te wassen en een pyjama aan te trekken. Het naakte lichaam van de non, met haar lange witte sokken is mij altijd bijgebleven. Het was raar dat ik haar ontkleedde en haar naaktheid zag en aanraakte. Dat was nog vreemder dan het aanraken van een dode. Ze was net zo oud als ik. En ouder zou ze niet worden. Was ik geschokt? Dacht ik aan dood en leven, hemel en hel? Wat had God hiermee te maken? Haar ouders moesten haar identificeren en deden dat bidden en kruisjes makend. Raar vond ik. Maar wel mooi. Roomse mensen wisten wat ze te doen stond bij een dode. Ik “wist” dat het niks uit zou halen. En zeker niet voor een non. Maar mooi was ze wel! En zou zo iemand dan naar de hel gaan? Ik verdrong de gedachte. Kon er ook nauwelijks over praten. Niet met collega’s, niet thuis. De God van mijn vader zou niet twijfelen. Nonnen waren niet uitverkoren, dan zouden ze geen nog geweest zijn. En zeker niet non gebleven zijn. God had een arm en ellendig volk. Geen jonge, mooie nonnetjes.

1 augustus 2011

De God van mijn vader XXIV Verloofd zonder kerk.

Dat deed je toen nog: verloven. De datum ervan staat nog in onze ringen en elk jaar op 13 december (ja het was toen vrijdag en het was geen bijgeloof) krijgt Wilma een bloemetje van me. Volgens mijn schoonvader was je eigenlijk al getrouwd als je verloofde en volgens mijn ouders kon het dan nog alle kanten uit. Daarom was verloven best nog wel gezellig. De God van mijn vader kwam er niet bij te pas, behalve dan bij het bidden voor de maaltijd. Wilma vonden ze best lief (en dat was ze ook) en al droeg ze wat korte rokjes het kon ermee door.

Over geloof werd niet veel gesproken. De eerste keer dat Wilma met mij meeging naar de (onze Gereformeerde-Gemeente) kerk was een gebeurtenis om nooit te vergeten. We kwamen uit Vianen en scheurden naar H.I. Ambacht om nog op tijd te zijn. Onderweg bedacht ik dat ze natuurlijk een hoedje op moest en dat had ze niet eens. Dus reden we nog wat harder en eerst langs mijn ouderlijk huis, waar ik een hoedje uit een kast griste. Ze moest het opzetten van mij en weer 5 minuten later renden we zo’n beetje als laatsten de kerk binnen. Nagestaard door de hele gemeente. Ik dacht omdat ze Wilma zo mooi en zo ongereformeerd vonden. Volgens Wilma staarden ze om het hoedje.

Uit de dienst (dat noemden wij niet zo, wij zeiden gewoon “na de kerk”) vroeg mijn vader wat Wilma er van vond. Dat was wel bijzonder want daar werd weinig naar gevraagd thuis. Toen Wilma heel moedig en angstig tegelijkertijd uitbracht dat ze er helemaal niets van begrepen had zei mijn vader:”Maar meisje, dan ken jij de tale Kanaäns niet”. Omdat ze dat ook al weer niet begreep deed ze er verder maar het zwijgen toe. Tot en met de verloving deed die tale Kanaäns er ook nog niet zo toe. We waren nog niet getrouwd dus er sliepen nog geen twee geloven op één kussen. Het kon nog alle kanten uit en de verlovingsdag was gewoon gezellig.

Campo Minado! Yellow&Blue