ZINGEN
Tegenwoordig zingen we alleen nog maar in de kerk of (heel soms) op het voetbalveld. Ik bedoel dan iedereen, want er wordt natuurlijk door heel veel liefhebbers ook gezongen op koren, in bandjes op zangles en noem maar op. In de kerk hoort zingen erbij! Nou scheelt het natuurlijk wel wat voor kerk.
Er zijn Psalmkerken, Gezangenkerken, Liederenkerken en Opwekkingskerken. Daar blijft het niet bij, want zou zou veel te eenvoudig zijn. We hebben Psalmen-op-hele-noten-kerken, Psalmen-uit-oude berijming-kerken, Psalmen-uit-nieuwe berijming-kerken, die dan dikwijls wel weer samenvallen met Liedboek (= gezangen) kerken. Deze kerken hebben soms ook nog aanvulling in evangelische bundels met een overlap naar liederen en opwekkingsbundels. Sommige kerken zingen absoluut geen opwekkingsliederen en ander weer absoluut geen psalmen-op-hele noten. De Liederenkerken zitten een beetje in de verdrukking. De Johan de Heer bundel en Glorieklokken raken een beetje uit. Soms is er weer een overlap met de evangelische liedbundel en soms ook met opwekkingsliederen.
Nu zou dat allemaal nog niet zo erg zijn, maar de traditionele domme en eigenwijze, welgemeende echtheid en onechtheid gaan meestal ook nog eens pontificaal op hun eigen bundeltje zitten. Er zijn er die er zelf nóg een maken. Wat je zelf maakt is het beste, nietwaar? De anderen gaan doordat zij zich niet aan ónze regels houden soms naar de hel en - als die bijvoorbeeld niet meer bestaat - naar de bible belt of een andere achterstandswijk.
Dan hebben we het nog niet over de begeleiding. Met orgel, piano of zelfs een band. Liturgisch, opgewekt, snel of langzaam. Vijf liederen zonder voor- en naspel (nee het gaat over muziek!) of juist vijftien liederen met heel veel voor-na- en tussenspel. Bij de psalmen heb je dikwijls het idee dat je iets moet doen - handklapt en betuigt, onze God uw eer - bijvoorbeeld, maar dat mag niet. Dat is helemaal fout want klappen en opstaan en betuigen doen we weer bij de opwekkingsliederen. Het is bij binnenkomst van een vreemde kerk een heel gedoe uit te vinden wat er hier nu wel en niet hoort. Gaan ze staan, blijven ze zitten, gaan de handen omhoog, wordt er geklapt, heb ik een boekje nodig of is er een beamer, zingt het koortje om te begeleiden of is het een liturgisch kerkkoortje wat met hoge stemmetjes Bach probeert te oreren.
Het is wel belangrijk om deze zaken allemaal goed in je op te nemen, want de meeste zang is na heel veel touwtrekken onder zware druk tot stand gekomen. En denk niet dat het over niks gaat, want het is allemaal heel erg principieel, traditioneel, eigenwijs en echt gemeend. En meestal ook heel "typisch" (Ik zeg maar meestal zodat iedereen zich tot de niet "typische" uitzondering kan rekenen). Dat moet ik natuurlijk wel uitleggen. Zingen hoeft niet zo gek te zijn, maar jouw principes met betrekking tot hoe, hoe lang, hoe hard, hoeveel er gezongen moet worden is dat meestal wel. Het maakt God echt niks uit hoe je zingt als het maar met je hart is. Daar zit natuurlijk ook weer een probleem, want wie organiseert dat? Het moet maar net jouw psalm zijn, die je in drie coupletten heel langzaam mag zingen of jij moet noumaar - net als de zangleider - in je hart hebben om opwekking 666 zes keer te herhalen, het refrein ook zes keer om met zes keer de laatste regels te besluiten. Soms word je meegenomen, maar ook soms, meer dan soms, is het cultuur. Dat wat we elkaar doorgeven, onze kinderen leren en waar we elkaar op afrekenen. Je kan toch alleen maar geestelijk zijn met Psalmen, Gezangen, o nee, Johannes de Heerrrrr of vooruit dan maar, Opwekking.
2 juli 2011
1 juli 2011
De God van mijn vader VIII
Toen ik twaalf jaar was was ik godsdienstig gezien al helemaal gevormd en in sommige gevallen ook ernstig misvormd. Denk nu niet dat dat alleen voor kinderen uit "zware" kerken geldt, want al gingen de gereformeerde en rooms katholieke jongens en meisjes niet écht naar de hel, hun misvorming was er zeker niet minder om. Ook hen werden de tradities uit de eeuwen en de eeuwigheid als waarachtige zekerheden ingeprent en ook hen zou het tot op de dag van vandaag heel veel moeite kosten om zich daaruit te bevrijden.
Intussen ging de leer van de kerk en vooral de leer van de uitverkiezing een steeds grotere rol spelen in mijn gedachten. Het beheerste en controleerde mijn leven. Het feit dat er een God was die als een grote almachtige heilige Bangmaker ergens beweerde dat Hij liefde was, maar dan alleen voor zijn uitverkorenen. Ik geloofde het, want wat moest je anders. Maar ik had er niks mee, want ik kon er niks mee. Als een soort test ging je de raarste dingen bedenken. Als God gedachten kon lezen wist Hij het. En dan maar zien of er wat gebeurde. Ach wat. Hij wist alles toch allang. Het maakte niet uit wat je deed en toch wel. God gebruikte wat je deed om duidelijk te maken wat Hij had bedacht. Ingewikkeld, maar zo zat het nu eenmaal. En als je dan alleen bent, ver van huis doe je dingen die niet kunnen. God mag het weten, want die weet toch alles. En verder weet niemand het. Diep van binnen, op één of ander onmogelijk plekje weet je wel, dat het niet goed was. Dat het niet kon. En toch gebeurde het. Niet buiten je wil om. Natuurlijk niet. Voor zonden was je zelf verantwoordelijk. Heel anders dan bij "goede werken". Als ze al bestonden kwamen ze van de Allerhoogste zelf. Hij bewerkte ze in ons buiten onze wil om. En al het "boze dat ik heb gedaan" kwam natuurlijk regelrecht uit die door de erfzonde verziekte zielen van kinderen en jonge mensen. Daar hielp geen Volk en vaderland, geen werk en geen bloed tegen. O ja, wel bloed. Het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden. Maar daar had je toch ook niet zoveel aan. Dat gold alleen maar voor zijn uitverkorenen. Die konden er ook niks aan doen, dat ze uitverkoren waren, maar het waren toch "Gods lieve kinderen". Bevoorrechtte positie. Naar de hemel! Was natuurlijk ook niet alles. Eeuwig zingen van Gods goedertierenheên. Altijd in de kerk. Altijd naar preken luisteren. Altijd en eeuwig maar zingen.
Intussen ging de leer van de kerk en vooral de leer van de uitverkiezing een steeds grotere rol spelen in mijn gedachten. Het beheerste en controleerde mijn leven. Het feit dat er een God was die als een grote almachtige heilige Bangmaker ergens beweerde dat Hij liefde was, maar dan alleen voor zijn uitverkorenen. Ik geloofde het, want wat moest je anders. Maar ik had er niks mee, want ik kon er niks mee. Als een soort test ging je de raarste dingen bedenken. Als God gedachten kon lezen wist Hij het. En dan maar zien of er wat gebeurde. Ach wat. Hij wist alles toch allang. Het maakte niet uit wat je deed en toch wel. God gebruikte wat je deed om duidelijk te maken wat Hij had bedacht. Ingewikkeld, maar zo zat het nu eenmaal. En als je dan alleen bent, ver van huis doe je dingen die niet kunnen. God mag het weten, want die weet toch alles. En verder weet niemand het. Diep van binnen, op één of ander onmogelijk plekje weet je wel, dat het niet goed was. Dat het niet kon. En toch gebeurde het. Niet buiten je wil om. Natuurlijk niet. Voor zonden was je zelf verantwoordelijk. Heel anders dan bij "goede werken". Als ze al bestonden kwamen ze van de Allerhoogste zelf. Hij bewerkte ze in ons buiten onze wil om. En al het "boze dat ik heb gedaan" kwam natuurlijk regelrecht uit die door de erfzonde verziekte zielen van kinderen en jonge mensen. Daar hielp geen Volk en vaderland, geen werk en geen bloed tegen. O ja, wel bloed. Het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden. Maar daar had je toch ook niet zoveel aan. Dat gold alleen maar voor zijn uitverkorenen. Die konden er ook niks aan doen, dat ze uitverkoren waren, maar het waren toch "Gods lieve kinderen". Bevoorrechtte positie. Naar de hemel! Was natuurlijk ook niet alles. Eeuwig zingen van Gods goedertierenheên. Altijd in de kerk. Altijd naar preken luisteren. Altijd en eeuwig maar zingen.
30 juni 2011
De God van mijn vader VII
DE LAGERE SCHOOL
Op de lagere school leerden we dat we met dergelijke dingen niks te maken hadden. We leefden ons eigen leventje en hadden nauwelijks contact met anderen dan zwaar reformatorische mensen. Wij waren van de Gereformeerde Gemeente. Dat was het beste. Daarna kwamen de uitgetredenen, de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. De vrije Oud gereformeerde gemeente in H.I. Ambacht kon er ook mee door. De Gereformeerde bond in de Hervormde Kerk ook nog wel, alhoewel dat toch al moeilijk lag. Zo werd mijn kerkelijk besef gevormd rondom het begrip van de waarheid. Wie er gelijk had was niet de vraag, maar hoe aan te tonen dat wij het bij het rechte eind had. Onze catechisatieboekje (ook al zo'n woord - welk kind wil er nou op catechisatie) vermeldde achtereenvolgens de dwalingen van de Pelagianen, de Arminianen, de Luthersen, de Wederdopers, de Jehova's getuigen (in een bijlage natuurlijk) om ons te trainen in een juist godsbesef. Ik schrijf het hier met kleine letters, want het ging "nergens" over natuurlijk. Nou ja, nergens, in ieder geval niet over een juist Godsbesef. God was meer de hemelse chef geworden, die al zijn aardse werknemers de juiste regeltjes voorhield en nauwkeurig bijhield of ze zich daar wel aan hielden.
School en kerk sloten nauw op elkaar aan. Dezelfde sombere leer was uitgangspunt. Niet dat we op school niet konden lachen. Dat deden we wél. We zongen en lachten, we speelden en het was op ons schoolplein net zo'n dolle boel als op het schoolplein van de gewone gereformeerde kinderen. Religie, Godsdienst was zo deel van ons leven dat de zaken van de eeuwen en de zaken van de eeuwigheid dwars door elkaar heenliepen. Bekeerde kinderen hadden we bijvoorbeeld niet. En dat kwam ook nooit ter sprake. Op school dan. Dat was uitgangspunt. In de kerk wel. "Jongens en meisjes, het is ook voor jullie hoor!, werd er af en toe vanaf de kansel geroepen" maar dat kon natuurlijk helemaal niet, aangezien de zaak al lang beklonken was. En áls je uitverkoren was kwam je daar pas op latere leeftijd achter. Gereformeerden en Rooms Katholieken hadden daar geen last van. Die dachten allemáál naar de hemel te gaan. Ze zouden het nog wel ontdekken. Met een ingebeelde hemel naar de hel was vreselijk. Wij gingen zeer waarschijnlijk ook wel naar de hel, maar wij wisten het tenminste.
Op de lagere school leerden we dat we met dergelijke dingen niks te maken hadden. We leefden ons eigen leventje en hadden nauwelijks contact met anderen dan zwaar reformatorische mensen. Wij waren van de Gereformeerde Gemeente. Dat was het beste. Daarna kwamen de uitgetredenen, de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. De vrije Oud gereformeerde gemeente in H.I. Ambacht kon er ook mee door. De Gereformeerde bond in de Hervormde Kerk ook nog wel, alhoewel dat toch al moeilijk lag. Zo werd mijn kerkelijk besef gevormd rondom het begrip van de waarheid. Wie er gelijk had was niet de vraag, maar hoe aan te tonen dat wij het bij het rechte eind had. Onze catechisatieboekje (ook al zo'n woord - welk kind wil er nou op catechisatie) vermeldde achtereenvolgens de dwalingen van de Pelagianen, de Arminianen, de Luthersen, de Wederdopers, de Jehova's getuigen (in een bijlage natuurlijk) om ons te trainen in een juist godsbesef. Ik schrijf het hier met kleine letters, want het ging "nergens" over natuurlijk. Nou ja, nergens, in ieder geval niet over een juist Godsbesef. God was meer de hemelse chef geworden, die al zijn aardse werknemers de juiste regeltjes voorhield en nauwkeurig bijhield of ze zich daar wel aan hielden.
School en kerk sloten nauw op elkaar aan. Dezelfde sombere leer was uitgangspunt. Niet dat we op school niet konden lachen. Dat deden we wél. We zongen en lachten, we speelden en het was op ons schoolplein net zo'n dolle boel als op het schoolplein van de gewone gereformeerde kinderen. Religie, Godsdienst was zo deel van ons leven dat de zaken van de eeuwen en de zaken van de eeuwigheid dwars door elkaar heenliepen. Bekeerde kinderen hadden we bijvoorbeeld niet. En dat kwam ook nooit ter sprake. Op school dan. Dat was uitgangspunt. In de kerk wel. "Jongens en meisjes, het is ook voor jullie hoor!, werd er af en toe vanaf de kansel geroepen" maar dat kon natuurlijk helemaal niet, aangezien de zaak al lang beklonken was. En áls je uitverkoren was kwam je daar pas op latere leeftijd achter. Gereformeerden en Rooms Katholieken hadden daar geen last van. Die dachten allemáál naar de hemel te gaan. Ze zouden het nog wel ontdekken. Met een ingebeelde hemel naar de hel was vreselijk. Wij gingen zeer waarschijnlijk ook wel naar de hel, maar wij wisten het tenminste.
28 juni 2011
De God van mijn vader VI
AVONDMAAL
Nu we het er toch over hebben. Het is een heel gedoe met dat avondmaal. Om nog maar niet te spreken over die vervloekte paapse mis. In mijn kerk "mag" een gewone oudste (wat bij anderen weer een ouderling is) het avondmaal bedienen, wat bij anderen, vooral in reformatorische kerken natuurlijk weer niet mag. Want we geloven dan wel niet meer in de con- of transsubstantiatie (brr...dat betekent gewoon dat brood echt Jezus wordt, in de Geest Jezus of gewoon brood blijft), maar een heilige handeling blijft het. Vroeger - in mijn kerk, de gereformeerde gemeente (wat weer héél wat anders is dan de gereformeerde kerk) was avondmaal een trieste bedoening. De dienst duurde twee keer zolang, er was een week van voorbereiding, een nabetrachting en één, twee of zelfs drie tafels uitverkorenen. Meer moesten het er niet worden, want zoveel waren er niet. Eén uit een dorp, twee uit een stad. iedereen was stil, vrouwen in het zwart huilden omdat ze wel aangingen of juist omdat ze geen vrijmoedigheid hadden. Omdat je toch niet weg mocht keek je maar. Vooral om er thuis over mee te kunnen praten. "Nou, nou, die vrouw van de Jong, heb je die gezien? Die ging ook aan, maar ze was wel licht gekleed hoor. Ik had het niet gedacht, want ze hebben zelfs radio thuis!!" Natuurlijk waren er mensen met een oprecht en diep verlangen om aan het avondmaal te gaan. Maar die werden tegengehouden door al die domme en onechte tradities en gewoonten. De super-heiligheid, waarmee de tafel omgeven werd. Alleen de dominee die het mocht "bedienen", de strak witte tafellakens, het zilveren avondmaalsstel, zo was het eeuwen geleden en zo moest het zijn. En vooral arme zondaars die huilend uit de bank durfden opstaan na de zoveelste nodiging. Zo moest het ook. Beséffen we wel, dat het allemaal onnodig en dikwijls onecht is, maar dat ook evangelischen van vandaag er onder gebukt gaan. Dat ook wij (ik schrijf even wij als evangelische voorganger, maar het geldt net zo goed voor gereformeerden en andere schaapachtigen), dat ook wij een wit tafellaken willen, met tinnen of zilveren kannen. Dat ook wij het al revolutionair vinden om in plaats van witbrood zonder korstjes madzes te gebruiken. Dat ook bij ons de heilige beker nog met grote huivering rondgaat omdat de angst van vroeger er nog in zit. Ook wij kunnen felle onenigheid hebben over de bediening van het avondmaal, het brood wat we gebruiken, de wijn die we schenken, de muziek die we erbij spelen, of er vrouwen of mannen mogen bedienen, of de beker eerst mag (voor één keer), of we ronddelen of ophalen. We zijn zo goed in staat om van de hele bediening zo'n santenkraam te maken, dat we de inhoud op de achtergrond stellen. We wéten wellicht nog dat het gaat om het Lichaam en het Bloed van Christus, maar het hoe of wat van de inhoud wordt grotendeels versluierd door onze tradities en de ruzies daarover. Ook in onze hedendaagse niet gereformeerde gemeentekerken duren avondmaalsdiensten lang, zijn ze saai voor kinderen, snappen een heleboel mensen er niks van en zijn we blij dat we het niet méér dan één keer per maand hoeven te doen. Ook vandaag zijn er veel kerken en gemeentes (let op het subtiele verschil!) waar juist met avondmaal andere kleding en een andere stemming wordt verwacht zonder dat dat wordt gekoppeld aan de inhoud. Ik schop niet tegen kleding, maar tegen onechtheid! Doe vooral een pak aan als je dat wilt, maar suggereer niet, suggereer nooit! dat God dat zo wil. Daar heeft Hij niks over gezegd en er is ook nog nooit iemand ziek geworden omdat hij geen stropdas aanhad bij het avondmaal.
De angst voor de "vervloekte afgoderij" van de "paapse mis" zit er intussen ook nog goed in. De keren dat ik naar voren ben gelopen om de eucharistie te ontvangen had ik het gevoel dat stiekum te moeten doen. Als gemeenteleden het zouden zien, deed ik het maar niet, want ik zou ze van hun geloof af kunnen brengen. Dat heb ik afgeschud. En als zonde beleden! Het is niet goed om zo aan buitenkant te doen. Als je niet mee kan of wil doen, die je het niet, Geen probleem al moet je natuurlijk wel héél goed nadenken waarom niet. En als je wel meedoet doe je het altijd! Ook in de rooms katholieke kerk.
Terwijl ik dit opschrijf besef ik dat ik eigenlijk aanzet tot insubordinatie, ongehoorzaamheid. het mág helemaal niet. Niet van de Paus, maar ook niet van de gereformeerde gemeente en van de PKN en van andere kerken die niet hebben besloten "met elkaar in gemeenschap" te zijn. Nou kunnen we ook daar weer uren, dagen maanden jaren over gaan vergaderen om er vervolgens niet uit te komen. Zelf sla ik die stap liever over en ga ik gewoon zolang ik niet geweigerd word. Waarom zou ik iemand, wie dan ook, over mijn geweten laten oordelen? Hij die mij oordeelt is God en dat is soms al eng genoeg.
Juist in het avondmaal belijden we dood en opstanding van Christus. Dat heeft niets te maken met religie, gewoontes, stijfheid, kerkordes en andere verwarring stichtende documenten, maar met de levende Heer! (of Here, of Heere, of HEERE)
Nu we het er toch over hebben. Het is een heel gedoe met dat avondmaal. Om nog maar niet te spreken over die vervloekte paapse mis. In mijn kerk "mag" een gewone oudste (wat bij anderen weer een ouderling is) het avondmaal bedienen, wat bij anderen, vooral in reformatorische kerken natuurlijk weer niet mag. Want we geloven dan wel niet meer in de con- of transsubstantiatie (brr...dat betekent gewoon dat brood echt Jezus wordt, in de Geest Jezus of gewoon brood blijft), maar een heilige handeling blijft het. Vroeger - in mijn kerk, de gereformeerde gemeente (wat weer héél wat anders is dan de gereformeerde kerk) was avondmaal een trieste bedoening. De dienst duurde twee keer zolang, er was een week van voorbereiding, een nabetrachting en één, twee of zelfs drie tafels uitverkorenen. Meer moesten het er niet worden, want zoveel waren er niet. Eén uit een dorp, twee uit een stad. iedereen was stil, vrouwen in het zwart huilden omdat ze wel aangingen of juist omdat ze geen vrijmoedigheid hadden. Omdat je toch niet weg mocht keek je maar. Vooral om er thuis over mee te kunnen praten. "Nou, nou, die vrouw van de Jong, heb je die gezien? Die ging ook aan, maar ze was wel licht gekleed hoor. Ik had het niet gedacht, want ze hebben zelfs radio thuis!!" Natuurlijk waren er mensen met een oprecht en diep verlangen om aan het avondmaal te gaan. Maar die werden tegengehouden door al die domme en onechte tradities en gewoonten. De super-heiligheid, waarmee de tafel omgeven werd. Alleen de dominee die het mocht "bedienen", de strak witte tafellakens, het zilveren avondmaalsstel, zo was het eeuwen geleden en zo moest het zijn. En vooral arme zondaars die huilend uit de bank durfden opstaan na de zoveelste nodiging. Zo moest het ook. Beséffen we wel, dat het allemaal onnodig en dikwijls onecht is, maar dat ook evangelischen van vandaag er onder gebukt gaan. Dat ook wij (ik schrijf even wij als evangelische voorganger, maar het geldt net zo goed voor gereformeerden en andere schaapachtigen), dat ook wij een wit tafellaken willen, met tinnen of zilveren kannen. Dat ook wij het al revolutionair vinden om in plaats van witbrood zonder korstjes madzes te gebruiken. Dat ook bij ons de heilige beker nog met grote huivering rondgaat omdat de angst van vroeger er nog in zit. Ook wij kunnen felle onenigheid hebben over de bediening van het avondmaal, het brood wat we gebruiken, de wijn die we schenken, de muziek die we erbij spelen, of er vrouwen of mannen mogen bedienen, of de beker eerst mag (voor één keer), of we ronddelen of ophalen. We zijn zo goed in staat om van de hele bediening zo'n santenkraam te maken, dat we de inhoud op de achtergrond stellen. We wéten wellicht nog dat het gaat om het Lichaam en het Bloed van Christus, maar het hoe of wat van de inhoud wordt grotendeels versluierd door onze tradities en de ruzies daarover. Ook in onze hedendaagse niet gereformeerde gemeentekerken duren avondmaalsdiensten lang, zijn ze saai voor kinderen, snappen een heleboel mensen er niks van en zijn we blij dat we het niet méér dan één keer per maand hoeven te doen. Ook vandaag zijn er veel kerken en gemeentes (let op het subtiele verschil!) waar juist met avondmaal andere kleding en een andere stemming wordt verwacht zonder dat dat wordt gekoppeld aan de inhoud. Ik schop niet tegen kleding, maar tegen onechtheid! Doe vooral een pak aan als je dat wilt, maar suggereer niet, suggereer nooit! dat God dat zo wil. Daar heeft Hij niks over gezegd en er is ook nog nooit iemand ziek geworden omdat hij geen stropdas aanhad bij het avondmaal.
De angst voor de "vervloekte afgoderij" van de "paapse mis" zit er intussen ook nog goed in. De keren dat ik naar voren ben gelopen om de eucharistie te ontvangen had ik het gevoel dat stiekum te moeten doen. Als gemeenteleden het zouden zien, deed ik het maar niet, want ik zou ze van hun geloof af kunnen brengen. Dat heb ik afgeschud. En als zonde beleden! Het is niet goed om zo aan buitenkant te doen. Als je niet mee kan of wil doen, die je het niet, Geen probleem al moet je natuurlijk wel héél goed nadenken waarom niet. En als je wel meedoet doe je het altijd! Ook in de rooms katholieke kerk.
Terwijl ik dit opschrijf besef ik dat ik eigenlijk aanzet tot insubordinatie, ongehoorzaamheid. het mág helemaal niet. Niet van de Paus, maar ook niet van de gereformeerde gemeente en van de PKN en van andere kerken die niet hebben besloten "met elkaar in gemeenschap" te zijn. Nou kunnen we ook daar weer uren, dagen maanden jaren over gaan vergaderen om er vervolgens niet uit te komen. Zelf sla ik die stap liever over en ga ik gewoon zolang ik niet geweigerd word. Waarom zou ik iemand, wie dan ook, over mijn geweten laten oordelen? Hij die mij oordeelt is God en dat is soms al eng genoeg.
Juist in het avondmaal belijden we dood en opstanding van Christus. Dat heeft niets te maken met religie, gewoontes, stijfheid, kerkordes en andere verwarring stichtende documenten, maar met de levende Heer! (of Here, of Heere, of HEERE)
26 juni 2011
De God van mijn vader V
Op school leerde je ook weer van alles uit de afgelopen eeuwen en - zoals een reformatorische school betaamt - ook uit de eeuwigheid. Dat liep ook weleens door elkaar. Uit de afgelopen eeuwen leerden we dat de Rooms Katholieke kerk nóg erger was dan de gereformeerde kerk, dat Calvijn een door God geleerde was en Luther wel geroepen tot de reformatie, maar toch nog vol dwalingen. Fluks werd dan ook het rooms katholieke kind samen met het badwater weggegooid. Niet alleen letterlijk. Dat ook natuurlijk. Je ging niet om met rooms katholieke kinderen. Maar ook en vooral een heleboel traditionele, onechte dommigheden. Beelden waren verkeerd! Nou ja, om te aanbidden dan en daarom kon je er maar beter helemaal niks mee van doen hebben. De Paus, als plaatsbekledder!! van Jezus, had zelfs het tweede gebod in zijn geheel uit de Bijbel geschrapt. Gesneden beelden en daarvoor te buigen was voor hem prima! En de Paus was onfeilbaar, dus als hij iets schrapte geloofden alle katholieken dat. En de Bijbel lezen mochten ze sowieso niet. En ze geloofden écht dat een stukje brood bij het avondmaal - echarisdinges noemden zij dat - het Lichaam van Christus werd. Nou ja, dan vraag ik je. Had Luther niet terecht gevraagd wat er dan de volgende dag in de wc lag, ja, nou??? De catechismus leerde dan ook heel terecht dat we hier te maken hadden met de "paapse mis, die niet anders is dan een vervloekte afgoderij". Nou nou, staat er nog steeds in hoor, in die catechismus, die ook deel uitmaakt van de belijdenisgeschriften van de PKN. En hele volksstammen zeggen het vandaag nog net zo omdat het domme, traditionele, eigenwijze onechtheden zijn, die nu eenmaal geloofd dienen te worden omdat ze opgeschreven zijn.
25 juni 2011
De God van mijn vader IV
Na mijn zesde verjaardag overleed Opa vrij plotseling aan een hartaanval. Hij zag het aankomen en dat kwam natuurlijk doordat hij een echt kind van God was. Als kind mocht ik eigenlijk niet meer naar zijn dode lichaam kijken. Ik heb het toch gedaan, stiekem. Ik moest zeker weten hoe het zat, Gek genoeg was het lichaam er nog, maar ik kon wel duidelijk zien dat Opa óók in de hemel was. Ik had natuurlijk geen benul van alles wat hij mij had meegegeven. Het is er tot op de dag van vandaag. Uit de afgelopen eeuwen en uit de eeuwigheid. Het heeft erg lang geduurd voordat ik kon gaan ontdekken hoe de kerstboom was opgetuigd. Met heel veel ballen en slingers. Die hoorden er niet bij, maar waren ook niet weg te denken.
Wij hebben allemaal onze Opa's en onze juffrouwen de Koe. Onze baby- en peuterjaren zijn van doorslaggevend belang op onze ontwikkeling. En wat is het moeilijk om de ballen uit de boom te halen. Ze hangen er al ons hele leven!
Kort nadat Opa overleed hadden wij een auto en kochten wij een huis. Daar werd een beetje raar over gedaan. Niet te veel over praten, niet direct echt juichen! Dat deed je dus blijkbaar niet over dit soort dingen. Pas héél veel later begreep ik dat het gekocht was van de geërfde centjes van Opa en daar kon je dus niet echt blij mee zijn. Wel blij natuurlijk, maar dat laat je niet merken. Geld en rijkdom waren sowieso geen dingen waar je uitbundig blij mee mocht zijn. Je zou maar rijk worden, dan werd het nóg moeilijker om in de hemel te komen. Rijke jongeling, rijke man, arme Lazarus, ik kende voor mijn achtste verjaardag alle verhalen uit de Bijbel. Ze werden verteld, voorgelezen, overhoord, nagevraagd. De kennis van de Bijbel was super belangrijk. Als je verloren gaat is dat eigen schuld. Het volk gaat verloren omdat het geen kennis heeft. Hoe dat te rijmen met de reeds in de eeuwigheid beklonken zaak kwam toen even wat minder bij mij op. Ik wilde gewoon tien jaar worden, want dan was je iemand. Ik leerde het verschil tussen stadsjongens en jongens op het platteland, in de polder. Als stadsjongetje sloeg ik in Hendrik Ido Ambacht een modderfiguur. Ik kon niks, was een bleekscheet en had geen verstand van polderen. Dat klopte. Ik wist niet eens wat polderen wás. Dat was ook de reden dat ik nooit mee ging polderen. Misschien had ik dan wel de verkeerde schoenen aan of moest ik geld hebben of moest je je uitkleden, weet ik veel. Intussen zat ik wel op een reformatorische school, de Willem de Zwijgerschool in H.I. Ambacht. Er was ook wel een "School met den Bijbel", maar daar zaten ze fout. Die waren gereformeerd of nog iets ergers. We hadden er weinig contact mee. Soms werd er een veldtocht georganiseerd, maar meestal was iedereen precies op tijd bang genoeg om het niet door te laten gaan.
Wij hebben allemaal onze Opa's en onze juffrouwen de Koe. Onze baby- en peuterjaren zijn van doorslaggevend belang op onze ontwikkeling. En wat is het moeilijk om de ballen uit de boom te halen. Ze hangen er al ons hele leven!
Kort nadat Opa overleed hadden wij een auto en kochten wij een huis. Daar werd een beetje raar over gedaan. Niet te veel over praten, niet direct echt juichen! Dat deed je dus blijkbaar niet over dit soort dingen. Pas héél veel later begreep ik dat het gekocht was van de geërfde centjes van Opa en daar kon je dus niet echt blij mee zijn. Wel blij natuurlijk, maar dat laat je niet merken. Geld en rijkdom waren sowieso geen dingen waar je uitbundig blij mee mocht zijn. Je zou maar rijk worden, dan werd het nóg moeilijker om in de hemel te komen. Rijke jongeling, rijke man, arme Lazarus, ik kende voor mijn achtste verjaardag alle verhalen uit de Bijbel. Ze werden verteld, voorgelezen, overhoord, nagevraagd. De kennis van de Bijbel was super belangrijk. Als je verloren gaat is dat eigen schuld. Het volk gaat verloren omdat het geen kennis heeft. Hoe dat te rijmen met de reeds in de eeuwigheid beklonken zaak kwam toen even wat minder bij mij op. Ik wilde gewoon tien jaar worden, want dan was je iemand. Ik leerde het verschil tussen stadsjongens en jongens op het platteland, in de polder. Als stadsjongetje sloeg ik in Hendrik Ido Ambacht een modderfiguur. Ik kon niks, was een bleekscheet en had geen verstand van polderen. Dat klopte. Ik wist niet eens wat polderen wás. Dat was ook de reden dat ik nooit mee ging polderen. Misschien had ik dan wel de verkeerde schoenen aan of moest ik geld hebben of moest je je uitkleden, weet ik veel. Intussen zat ik wel op een reformatorische school, de Willem de Zwijgerschool in H.I. Ambacht. Er was ook wel een "School met den Bijbel", maar daar zaten ze fout. Die waren gereformeerd of nog iets ergers. We hadden er weinig contact mee. Soms werd er een veldtocht georganiseerd, maar meestal was iedereen precies op tijd bang genoeg om het niet door te laten gaan.
22 juni 2011
De God van mijn vader (III)
Het werd wel de nestgeur, die mijn m'n hele leven bijgebleven is. En hoe warmer het nest, hoe moeilijker het is om te ontdekken dat het er soms ook niet in orde was.
De kleutertijd wandelde zomaar binnen en zittend op de knieën van mijn opa leerde ik psalmversjes. Dat was niet zielig, het was zalig!
Opent uwe mond,
eischt (zo schreef je dat toen) van mij vrijmoedig,
op mijn trouw verbond,
al wat u ontbreekt,
schenk ik, zo gij 't smeekt,
mild en overvloedig.
Opa zei ook dat het klopte. Als je je mond maar wijd genoeg open deed zou God heel beslist luisteren. Ik moest maar op mijn gedoopte voorhoofdje wijzen en God zou direct beseffen dat Hij er niet onderuit kon. Niet als een automatisme, zo werkte dat niet. De zaak was per slot al beslist. Verkiezing noemde je dat en dat was fijn. Want daarom kon je gewoon pleiten op je doop en als God je dan zou redden was dat mooi toch Zijn werk. Kon niet anders, want het was er al voor ik er was. Het klopte als een bus, want ik wist niet beter.
Toen ik de kleuterschool ging bezoeken, de Koningin Emmaschool in Rotterdam, was er al snel een prachtige kerstboom in de klas. En wij leerden er liedjes bij. "O dennenboom, wat zijn uw takken wonderschoon" en "Stille Nacht". Er waren toen nog geen reformatorische scholen, dus dat moesten mijn ouders maar voor lief nemen. Anders was er van een dennenboom geen sprake geweest. Ik galmde ze graag mee, de kerstliederen. Ook toen al vond ik - in tegenstelling tot iedereen - dat ik prachtig kon zingen. Thuisgekomen zong ik het voor aan Opa: Hij kwam op de aarde voor ons allemaal (3 x). Ik had het kunnen weten. Dat klopte niet en voor ik het wist zat ik aan juffrouw de Koe (zo heette zij) te vertellen, dat Jezus natuurlijk alleen voor zijn uitverkorenen naar de aarde was gekomen. Dit soort liedjes klopten niet en de kerstboom eigenlijk ook niet. Alleen Opa klopte en mijn papa en mama ook wel een beetje. Bij Opa mocht ik psalmen zingen, ook als ik met hem over de Coolsingel in Rotterdam naar de poppenkast ging kijken. Of als we in de bus zaten. Opa was een echte gelovige. In de uitverkiezing, maar ook een heleboel andere dingen.
De kleutertijd wandelde zomaar binnen en zittend op de knieën van mijn opa leerde ik psalmversjes. Dat was niet zielig, het was zalig!
Opent uwe mond,
eischt (zo schreef je dat toen) van mij vrijmoedig,
op mijn trouw verbond,
al wat u ontbreekt,
schenk ik, zo gij 't smeekt,
mild en overvloedig.
Opa zei ook dat het klopte. Als je je mond maar wijd genoeg open deed zou God heel beslist luisteren. Ik moest maar op mijn gedoopte voorhoofdje wijzen en God zou direct beseffen dat Hij er niet onderuit kon. Niet als een automatisme, zo werkte dat niet. De zaak was per slot al beslist. Verkiezing noemde je dat en dat was fijn. Want daarom kon je gewoon pleiten op je doop en als God je dan zou redden was dat mooi toch Zijn werk. Kon niet anders, want het was er al voor ik er was. Het klopte als een bus, want ik wist niet beter.
Toen ik de kleuterschool ging bezoeken, de Koningin Emmaschool in Rotterdam, was er al snel een prachtige kerstboom in de klas. En wij leerden er liedjes bij. "O dennenboom, wat zijn uw takken wonderschoon" en "Stille Nacht". Er waren toen nog geen reformatorische scholen, dus dat moesten mijn ouders maar voor lief nemen. Anders was er van een dennenboom geen sprake geweest. Ik galmde ze graag mee, de kerstliederen. Ook toen al vond ik - in tegenstelling tot iedereen - dat ik prachtig kon zingen. Thuisgekomen zong ik het voor aan Opa: Hij kwam op de aarde voor ons allemaal (3 x). Ik had het kunnen weten. Dat klopte niet en voor ik het wist zat ik aan juffrouw de Koe (zo heette zij) te vertellen, dat Jezus natuurlijk alleen voor zijn uitverkorenen naar de aarde was gekomen. Dit soort liedjes klopten niet en de kerstboom eigenlijk ook niet. Alleen Opa klopte en mijn papa en mama ook wel een beetje. Bij Opa mocht ik psalmen zingen, ook als ik met hem over de Coolsingel in Rotterdam naar de poppenkast ging kijken. Of als we in de bus zaten. Opa was een echte gelovige. In de uitverkiezing, maar ook een heleboel andere dingen.
Abonneren op:
Posts (Atom)
-
Ik heb het boek "Love wins"van Rob Bell besteld. Zijn promo filmpje op You Tube raakte mij , zoals dit onderwerp altijd weer doet....
-
De hel is noodzakelijk voor een vrije keuze. En tegelijk een onmogelijkheid bij een vrije keuze. Hoe kan je vrij zijn als er maar twee keuze...
-
ZINGEN Tegenwoordig zingen we alleen nog maar in de kerk of (heel soms) op het voetbalveld. Ik bedoel dan iedereen, want er wordt natuurl...