6 juli 2011

De God van mijn vader XII

Puberteit

Als je dertien of veertien bent gebeurt er van alles van binnen! En dat botst gigantisch met van alles van buiten! Hormonen doen al eeuwenlang (en vanuit de eeuwigheid) braaf hun werk! Zo zijn ze gemaakt. Meisjes, bloot, stiekeme blaadjes op de markt moesten doen wat vandaag internet doet. Seks werd belangrijk. Zelfbevrediging was zonde, maar wat moet je? En zondig was je toch. De verdoemenis deelachtig. Dus toe maar. Het gaf afleiding en opwinding in een oververhit lichaam. Wij waren nog niet zoveel gewend. Zelfs het Bijbelboek Hooglied werd met schaamte gelezen. Schaamte omdat we er seks in zagen, terwijl het natuurlijk over de Heere Jezus ging. In die tijd kon ik niet meer gebukt gaan onder mijn zonden, want die last was te zwaar. Alle vlammen van de hel zouden voor eeuwig branden om mij te straffen zonder mij te vernietigen. Na opwindende momenten in mijn eigen kamer volgden er onvermijdelijk uren van wakker liggen. "Daar d'angst der hel mij alle troost deed missen" Ik was ongelukkig en slecht. Slechter dan wie dan ook want wat ik stiekem deed wist alleen God! Wie zou ik het ooit kunnen vertellen. In mijn vrije tijd werkte ik bij de melkboer, Slingerland, in Hendrik Ido Ambacht. Ik deed dat al vanaf mijn achtste jaar of nog eerder. En zou dat blijven doen tot mijn zestiende jaar. Ik wilde niks anders worden dan melkboer. Tegelijk wist ik regelmatig geld uit de tas te stelen om de grote jongen uit te hangen op school. Ik rookte - natuurlijk - en dronk af en toe en steeds meer bier. Dat kostte ook allemaal geld. Ik verdiende te weinig, vond iedereen, dus jatte ik geld. Daar d'angst der hel....vreselijk is het te vallen in de handen van een levende God. Ga weg van mij, Ik heb U nooit gekend!! De weg geweten en niet bewandeld!! De waarheid gekend en toch verloren is oneindig erger dan heidenen die verloren gaan. Je zult met dubbele slagen geslagen worden.

5 juli 2011

De God van mijn vader XI

KLEDING

Ze hebben een heel speciale relatie, kleding en religie. Misschien valt dat nog wel het meest op in de vertrekhal van Schiphol. Bij EL AL staan de orthodoxe Joden te wachten. Ze lijken weggelopen uit een film met hun vlechten, hoeden en zwarte lange jassen. Dichterbij gekomen zijn de jassen niet allemaal even schoon. Maar het teken is duidelijk: De Eeuwige wil dat wij zo gekleed gaan. Alsof God zelf in het paradijs een driedeling zwart kostuum had gesneden voor Adam. Overigens worden ze voorbijgelopen door mensen met hoofddoekjes, moslims in dit geval, want we zijn niet op de Biblebelt , door mensen in Burka's die niet door de controle heenkomen en een enkele Sikh, die van zijn god een tulband om moet om zijn lange haar onzichtbaar te houden. Als je goed kijkt zie je af en toe ook een refo. Niet zoveel, waarschijnlijk voor een behoudende zendingsorganisatie op reis, maar ze zijn er wel. Met rokjes, blouse, ietwat opgestoken haar, allemaal niks mis mee, maar net zo dat je "het" kunt zien.

We kunnen er om lachen of huilen of er onverschillig tegenover staan. Maar kom niet aan onze eigen kleding. Een dominee moet de toga aan, anders is het niet echt. Op den duur ga je zo'n rare jurk gewoon vinden net als de Joden, moslims en refo's. Zo werkt dat. En een evangelische voorganger een stropdas, behalve die in Doelgerichte gemeentes, want die dragen een Hawai shirt. Bij het avondmaal zijn we netter dan anders en anders is het niet netjes. Een oudste moet - ook als het een jeugd-oudste is - zijn spijkerbroek verruilen voor een netter kledingstuk en blote schouders en te veel bloot been zijn zelfs bij huppelende evangelischen niet algemeen geaccepteerd. Intussen vinden we het allemaal weer heel apart als we op vakantie de schouders moeten bedekken en geen korte broek mogen dragen bij het betreden van een kerk. En bij een Moskee trekken we eerbiedig onze schoenen uit. Elke kleed-reli heeft ook zijn (of en vooral haar!) eigen winkels. De hoeden van de refo's, de toga's, de ouderlingenpakken.

Doet kleding er niet toe? Dat doet er niet toe. Kleding mag best iets van je innerlijk reproduceren, maar de ellende is niet te overzien als het wetten worden. En dat zijn het geworden. Niet alleen voor kinderen en pubers, maar wie is er vrij om zich te kleden zoals hij wil? Ik hoor " ze" al zeggen: " Ja, maar dat is gevaarlijk hoor, wat kunnen ze dan al niet aantrekken - of uitlaten, dat is nog veel gevaarlijker" Klopt! Maar dan is het uiterlijk wel weer een afspiegeling van het innerlijk en niet van het oplegde pandoer van het al eeuwen geldende gemeenschappelijke uiterlijk! Het is zo makkelijk iemand te onderhouden over zijn of haar kleding. Een gesprek van hart tot hart is moeilijker, maar wel mooier.

3 juli 2011

De God van mijn vader X

DE MIDDELBARE SCHOOL.

Dat is natuurlijk een stormachtige tijd voor iedere puber. Ik wist nog niet eens wat het was, een puber. Over seks en seksuele ontwikkeling en de daarmee gepaard gaande groeistuipen werd bij ons thuis niet zoveel gesproken. Als lijzige puber begon ik aan de ULO. Eerst die in Hendrik Ido Ambacht omdat de reformatorische in Dordrecht toch wel heel ver weg was. En die in Ambacht was christelijk, dus het moest wel kunnen vond mijn pa in een verlicht moment. En daar zat ik ineens op school met al die gereformeerde lichtzinnige pubers die natuurlijk nergens zorgen over hadden want voor hun was de uitverkiezing onbekend. Wat wisten zij nou. Niet wat ik wist. Zelfs de leraren (ineens meneer in plaats van meester!) waren van een onduidelijk godsdienstig soort. De Bijbel werd wel gelezen, maar het was die verderfelijke Nieuwe Vertaling (die toen nog aardig nieuw was). Die was onbetrouwbaar had ik geleerd. Op catechisatie, op de lagere school, thuis. En begon de leraar Godsdienst al in zijn eerste lessen over Genesis, wat natuurlijk niet bedoeld was zoals het er stond. Ik was confuus en bedacht een uitweg. Ik vertelde alles - misschien iets aangedikt - thuis. Met als gevolg dat een verhuizing naar de reformatorische school in Dordrecht onvermijdelijk was. Ik voelde mij schuldig, maar had mijn zin. Ik was weer bij mijn vrienden terug en kon ook weer wegzakken in het inmiddels vertrouwde, bijbelgetrouwe onuitverkoren gemak. Op de Balthazar Lydius school voor U.L.O. was alles zeker. De Bijbel, de geologie, de belijdenisgeschriften, de psalmen op hele noten, de meisjes in rokken en kniekousen, de vlechten in hun haar. Het rook er reformatorisch (dat woord werd toen nog niet zo gebruikt) en het was er ook reformatorisch. Een broek was zo verkeerd, dat de meiden hem midden in de winter wel aanhadden onder hun rok, maar hem allemaal stiekem uittrokken op het toilet om vervolgens keurig met rokje en kniekousen over panty in de schoolbankjes te zitten.

2 juli 2011

De God van mijn vader IX

ZINGEN

Tegenwoordig zingen we alleen nog maar in de kerk of (heel soms) op het voetbalveld. Ik bedoel dan iedereen, want er wordt natuurlijk door heel veel liefhebbers ook gezongen op koren, in bandjes op zangles en noem maar op. In de kerk hoort zingen erbij! Nou scheelt het natuurlijk wel wat voor kerk.

Er zijn Psalmkerken, Gezangenkerken, Liederenkerken en Opwekkingskerken. Daar blijft het niet bij, want zou zou veel te eenvoudig zijn. We hebben Psalmen-op-hele-noten-kerken, Psalmen-uit-oude berijming-kerken, Psalmen-uit-nieuwe berijming-kerken, die dan dikwijls wel weer samenvallen met Liedboek (= gezangen) kerken. Deze kerken hebben soms ook nog aanvulling in evangelische bundels met een overlap naar liederen en opwekkingsbundels. Sommige kerken zingen absoluut geen opwekkingsliederen en ander weer absoluut geen psalmen-op-hele noten. De Liederenkerken zitten een beetje in de verdrukking. De Johan de Heer bundel en Glorieklokken raken een beetje uit. Soms is er weer een overlap met de evangelische liedbundel en soms ook met opwekkingsliederen.

Nu zou dat allemaal nog niet zo erg zijn, maar de traditionele domme en eigenwijze, welgemeende echtheid en onechtheid gaan meestal ook nog eens pontificaal op hun eigen bundeltje zitten. Er zijn er die er zelf nóg een maken. Wat je zelf maakt is het beste, nietwaar? De anderen gaan doordat zij zich niet aan ónze regels houden soms naar de hel en - als die bijvoorbeeld niet meer bestaat - naar de bible belt of een andere achterstandswijk.

Dan hebben we het nog niet over de begeleiding. Met orgel, piano of zelfs een band. Liturgisch, opgewekt, snel of langzaam. Vijf liederen zonder voor- en naspel (nee het gaat over muziek!) of juist vijftien liederen met heel veel voor-na- en tussenspel. Bij de psalmen heb je dikwijls het idee dat je iets moet doen - handklapt en betuigt, onze God uw eer - bijvoorbeeld, maar dat mag niet. Dat is helemaal fout want klappen en opstaan en betuigen doen we weer bij de opwekkingsliederen. Het is bij binnenkomst van een vreemde kerk een heel gedoe uit te vinden wat er hier nu wel en niet hoort. Gaan ze staan, blijven ze zitten, gaan de handen omhoog, wordt er geklapt, heb ik een boekje nodig of is er een beamer, zingt het koortje om te begeleiden of is het een liturgisch kerkkoortje wat met hoge stemmetjes Bach probeert te oreren.

Het is wel belangrijk om deze zaken allemaal goed in je op te nemen, want de meeste zang is na heel veel touwtrekken onder zware druk tot stand gekomen. En denk niet dat het over niks gaat, want het is allemaal heel erg principieel, traditioneel, eigenwijs en echt gemeend. En meestal ook heel "typisch" (Ik zeg maar meestal zodat iedereen zich tot de niet "typische" uitzondering kan rekenen). Dat moet ik natuurlijk wel uitleggen. Zingen hoeft niet zo gek te zijn, maar jouw principes met betrekking tot hoe, hoe lang, hoe hard, hoeveel er gezongen moet worden is dat meestal wel. Het maakt God echt niks uit hoe je zingt als het maar met je hart is. Daar zit natuurlijk ook weer een probleem, want wie organiseert dat? Het moet maar net jouw psalm zijn, die je in drie coupletten heel langzaam mag zingen of jij moet noumaar - net als de zangleider - in je hart hebben om opwekking 666 zes keer te herhalen, het refrein ook zes keer om met zes keer de laatste regels te besluiten. Soms word je meegenomen, maar ook soms, meer dan soms, is het cultuur. Dat wat we elkaar doorgeven, onze kinderen leren en waar we elkaar op afrekenen. Je kan toch alleen maar geestelijk zijn met Psalmen, Gezangen, o nee, Johannes de Heerrrrr of vooruit dan maar, Opwekking.

1 juli 2011

De God van mijn vader VIII

Toen ik twaalf jaar was was ik godsdienstig gezien al helemaal gevormd en in sommige gevallen ook ernstig misvormd. Denk nu niet dat dat alleen voor kinderen uit "zware" kerken geldt, want al gingen de gereformeerde en rooms katholieke jongens en meisjes niet écht naar de hel, hun misvorming was er zeker niet minder om. Ook hen werden de tradities uit de eeuwen en de eeuwigheid als waarachtige zekerheden ingeprent en ook hen zou het tot op de dag van vandaag heel veel moeite kosten om zich daaruit te bevrijden.

Intussen ging de leer van de kerk en vooral de leer van de uitverkiezing een steeds grotere rol spelen in mijn gedachten. Het beheerste en controleerde mijn leven. Het feit dat er een God was die als een grote almachtige heilige Bangmaker ergens beweerde dat Hij liefde was, maar dan alleen voor zijn uitverkorenen. Ik geloofde het, want wat moest je anders. Maar ik had er niks mee, want ik kon er niks mee. Als een soort test ging je de raarste dingen bedenken. Als God gedachten kon lezen wist Hij het. En dan maar zien of er wat gebeurde. Ach wat. Hij wist alles toch allang. Het maakte niet uit wat je deed en toch wel. God gebruikte wat je deed om duidelijk te maken wat Hij had bedacht. Ingewikkeld, maar zo zat het nu eenmaal. En als je dan alleen bent, ver van huis doe je dingen die niet kunnen. God mag het weten, want die weet toch alles. En verder weet niemand het. Diep van binnen, op één of ander onmogelijk plekje weet je wel, dat het niet goed was. Dat het niet kon. En toch gebeurde het. Niet buiten je wil om. Natuurlijk niet. Voor zonden was je zelf verantwoordelijk. Heel anders dan bij "goede werken". Als ze al bestonden kwamen ze van de Allerhoogste zelf. Hij bewerkte ze in ons buiten onze wil om. En al het "boze dat ik heb gedaan" kwam natuurlijk regelrecht uit die door de erfzonde verziekte zielen van kinderen en jonge mensen. Daar hielp geen Volk en vaderland, geen werk en geen bloed tegen. O ja, wel bloed. Het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden. Maar daar had je toch ook niet zoveel aan. Dat gold alleen maar voor zijn uitverkorenen. Die konden er ook niks aan doen, dat ze uitverkoren waren, maar het waren toch "Gods lieve kinderen". Bevoorrechtte positie. Naar de hemel! Was natuurlijk ook niet alles. Eeuwig zingen van Gods goedertierenheên. Altijd in de kerk. Altijd naar preken luisteren. Altijd en eeuwig maar zingen.

30 juni 2011

De God van mijn vader VII

DE LAGERE SCHOOL

Op de lagere school leerden we dat we met dergelijke dingen niks te maken hadden. We leefden ons eigen leventje en hadden nauwelijks contact met anderen dan zwaar reformatorische mensen. Wij waren van de Gereformeerde Gemeente. Dat was het beste. Daarna kwamen de uitgetredenen, de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. De vrije Oud gereformeerde gemeente in H.I. Ambacht kon er ook mee door. De Gereformeerde bond in de Hervormde Kerk ook nog wel, alhoewel dat toch al moeilijk lag. Zo werd mijn kerkelijk besef gevormd rondom het begrip van de waarheid. Wie er gelijk had was niet de vraag, maar hoe aan te tonen dat wij het bij het rechte eind had. Onze catechisatieboekje (ook al zo'n woord - welk kind wil er nou op catechisatie) vermeldde achtereenvolgens de dwalingen van de Pelagianen, de Arminianen, de Luthersen, de Wederdopers, de Jehova's getuigen (in een bijlage natuurlijk) om ons te trainen in een juist godsbesef. Ik schrijf het hier met kleine letters, want het ging "nergens" over natuurlijk. Nou ja, nergens, in ieder geval niet over een juist Godsbesef. God was meer de hemelse chef geworden, die al zijn aardse werknemers de juiste regeltjes voorhield en nauwkeurig bijhield of ze zich daar wel aan hielden.

School en kerk sloten nauw op elkaar aan. Dezelfde sombere leer was uitgangspunt. Niet dat we op school niet konden lachen. Dat deden we wél. We zongen en lachten, we speelden en het was op ons schoolplein net zo'n dolle boel als op het schoolplein van de gewone gereformeerde kinderen. Religie, Godsdienst was zo deel van ons leven dat de zaken van de eeuwen en de zaken van de eeuwigheid dwars door elkaar heenliepen. Bekeerde kinderen hadden we bijvoorbeeld niet. En dat kwam ook nooit ter sprake. Op school dan. Dat was uitgangspunt. In de kerk wel. "Jongens en meisjes, het is ook voor jullie hoor!, werd er af en toe vanaf de kansel geroepen" maar dat kon natuurlijk helemaal niet, aangezien de zaak al lang beklonken was. En áls je uitverkoren was kwam je daar pas op latere leeftijd achter. Gereformeerden en Rooms Katholieken hadden daar geen last van. Die dachten allemáál naar de hemel te gaan. Ze zouden het nog wel ontdekken. Met een ingebeelde hemel naar de hel was vreselijk. Wij gingen zeer waarschijnlijk ook wel naar de hel, maar wij wisten het tenminste.

28 juni 2011

De God van mijn vader VI

AVONDMAAL

Nu we het er toch over hebben. Het is een heel gedoe met dat avondmaal. Om nog maar niet te spreken over die vervloekte paapse mis. In mijn kerk "mag" een gewone oudste (wat bij anderen weer een ouderling is) het avondmaal bedienen, wat bij anderen, vooral in reformatorische kerken natuurlijk weer niet mag. Want we geloven dan wel niet meer in de con- of transsubstantiatie (brr...dat betekent gewoon dat brood echt Jezus wordt, in de Geest Jezus of gewoon brood blijft), maar een heilige handeling blijft het. Vroeger - in mijn kerk, de gereformeerde gemeente (wat weer héél wat anders is dan de gereformeerde kerk) was avondmaal een trieste bedoening. De dienst duurde twee keer zolang, er was een week van voorbereiding, een nabetrachting en één, twee of zelfs drie tafels uitverkorenen. Meer moesten het er niet worden, want zoveel waren er niet. Eén uit een dorp, twee uit een stad. iedereen was stil, vrouwen in het zwart huilden omdat ze wel aangingen of juist omdat ze geen vrijmoedigheid hadden. Omdat je toch niet weg mocht keek je maar. Vooral om er thuis over mee te kunnen praten. "Nou, nou, die vrouw van de Jong, heb je die gezien? Die ging ook aan, maar ze was wel licht gekleed hoor. Ik had het niet gedacht, want ze hebben zelfs radio thuis!!" Natuurlijk waren er mensen met een oprecht en diep verlangen om aan het avondmaal te gaan. Maar die werden tegengehouden door al die domme en onechte tradities en gewoonten. De super-heiligheid, waarmee de tafel omgeven werd. Alleen de dominee die het mocht "bedienen", de strak witte tafellakens, het zilveren avondmaalsstel, zo was het eeuwen geleden en zo moest het zijn. En vooral arme zondaars die huilend uit de bank durfden opstaan na de zoveelste nodiging. Zo moest het ook. Beséffen we wel, dat het allemaal onnodig en dikwijls onecht is, maar dat ook evangelischen van vandaag er onder gebukt gaan. Dat ook wij (ik schrijf even wij als evangelische voorganger, maar het geldt net zo goed voor gereformeerden en andere schaapachtigen), dat ook wij een wit tafellaken willen, met tinnen of zilveren kannen. Dat ook wij het al revolutionair vinden om in plaats van witbrood zonder korstjes madzes te gebruiken. Dat ook bij ons de heilige beker nog met grote huivering rondgaat omdat de angst van vroeger er nog in zit. Ook wij kunnen felle onenigheid hebben over de bediening van het avondmaal, het brood wat we gebruiken, de wijn die we schenken, de muziek die we erbij spelen, of er vrouwen of mannen mogen bedienen, of de beker eerst mag (voor één keer), of we ronddelen of ophalen. We zijn zo goed in staat om van de hele bediening zo'n santenkraam te maken, dat we de inhoud op de achtergrond stellen. We wéten wellicht nog dat het gaat om het Lichaam en het Bloed van Christus, maar het hoe of wat van de inhoud wordt grotendeels versluierd door onze tradities en de ruzies daarover. Ook in onze hedendaagse niet gereformeerde gemeentekerken duren avondmaalsdiensten lang, zijn ze saai voor kinderen, snappen een heleboel mensen er niks van en zijn we blij dat we het niet méér dan één keer per maand hoeven te doen. Ook vandaag zijn er veel kerken en gemeentes (let op het subtiele verschil!) waar juist met avondmaal andere kleding en een andere stemming wordt verwacht zonder dat dat wordt gekoppeld aan de inhoud. Ik schop niet tegen kleding, maar tegen onechtheid! Doe vooral een pak aan als je dat wilt, maar suggereer niet, suggereer nooit! dat God dat zo wil. Daar heeft Hij niks over gezegd en er is ook nog nooit iemand ziek geworden omdat hij geen stropdas aanhad bij het avondmaal.

De angst voor de "vervloekte afgoderij" van de "paapse mis" zit er intussen ook nog goed in. De keren dat ik naar voren ben gelopen om de eucharistie te ontvangen had ik het gevoel dat stiekum te moeten doen. Als gemeenteleden het zouden zien, deed ik het maar niet, want ik zou ze van hun geloof af kunnen brengen. Dat heb ik afgeschud. En als zonde beleden! Het is niet goed om zo aan buitenkant te doen. Als je niet mee kan of wil doen, die je het niet, Geen probleem al moet je natuurlijk wel héél goed nadenken waarom niet. En als je wel meedoet doe je het altijd! Ook in de rooms katholieke kerk.

Terwijl ik dit opschrijf besef ik dat ik eigenlijk aanzet tot insubordinatie, ongehoorzaamheid. het mág helemaal niet. Niet van de Paus, maar ook niet van de gereformeerde gemeente en van de PKN en van andere kerken die niet hebben besloten "met elkaar in gemeenschap" te zijn. Nou kunnen we ook daar weer uren, dagen maanden jaren over gaan vergaderen om er vervolgens niet uit te komen. Zelf sla ik die stap liever over en ga ik gewoon zolang ik niet geweigerd word. Waarom zou ik iemand, wie dan ook, over mijn geweten laten oordelen? Hij die mij oordeelt is God en dat is soms al eng genoeg.

Juist in het avondmaal belijden we dood en opstanding van Christus. Dat heeft niets te maken met religie, gewoontes, stijfheid, kerkordes en andere verwarring stichtende documenten, maar met de levende Heer! (of Here, of Heere, of HEERE)

Campo Minado! Yellow&Blue