23 juli 2011

De God van mijn vader XXII verliefd!


Ik ben niet één keer, maar wel tig keer verliefd geweest. Het werd lang niet altijd wat. Gelukkig maar. Af en toe een vriendinnetje, maar meestal was het weer van snel voorbijgaande aard. Met Wilma was dat anders. Toen ik haar ontmoette stond mijn wereld op z'n kop. Ikzelf ook wel trouwens. Nou ja, misschien allebei wel, al staat dan alles weer correct. Er gebeurt dan van alles. Met je geest en je lichaam. Je geest moet ineens omschakelen van "rondkijken naar het leukste meisje" naar "ik heb haar nu gevonden en dit is ze, voor altijd"

Zo drastisch voelde dat inderdaad aan. Dat heeft natuurlijk ook alles met thuis te maken. Thuis was - zeker op dit gebied - veilig. De God van mijn vader verbood echtscheiding, maar dat had niet eens nodig geweest. De enkele keer dat ik ontdekte dat Pa en Ma het niet eens waren brachten mij van mijn stuk. Ouders zijn een echt-paar. Dat woord paren had er niet in gehoeven, want daar dacht je niet over na. Ouders hadden geen seks, behalve dan een keer of vijf om hun kinderen te verwekken. Maar echt waren ze wel.

En nu ontmoette ik Wilma. De wereld op zijn kop. Het was een mengeling van onzekerheden over seks, eeuwige trouw, kiezen, kerk en familie. Op één of andere totaal krankzinnige manier speelde dat allemaal mee. Misschien ben je wel een beetje krank (ziek) zinnig (in je geest) als je verliefd wordt. Wij wisten het lichaam niet zo goed te beheersen. Daar praatten we ook nauwelijks over. Dat deden we gewoon. Maar de rest van de vooral door de God van onze vaders belangrijk gevonden zaken kwamen tot diep in vele nachten aan de orde.

Het was de eerste ontmoeting van de God van mijn vader met de God van mijn toen nog aanstaande schoonvader. Die twee goden konden niet eenvoudig met elkaar door één enge poort. Verliefdheid had in mijn geval met al deze zaken te maken. Hormonen en religie hoorden bij elkaar. Wie was ik? Een man, een politieman, een opgewonden seksueel wezen? Of ook een mens, een kerkmens, een bevlogen denker over tijd en eeuwigheid. Het stormde in mijn hoofd én in mijn onderbuik (om niet te zeggen genitaliën, dat staat zo grof). De wereld stond op zijn kop of was ikzelf gewoon ondersteboven en was alles altijd al zo?

Gesprekken tot diep in de nacht met aanstaande schoonpa, soms ook in meervoudige alcoholneveling doorgebracht, maakten dat de diepste gevoelens aan de oppervlakte kwamen. Met hem besprak ik de kerk, vooral de kerk van mijn vader. En het geloof, vooral dat van hem en mij. Alles kwam aan de orde. Niet meer theorie, maar écht: wat vind ik zelf?

20 juli 2011

De God van mijn vader XXI Godsbegrip

Onze kerken worden bevolkt door mensen die er allemaal een eigen godsbegrip op nahouden. Dat God algemeen wordt gezien als Vader betekent eenvoudig dat je aardse vader dat begrip ingevuld heeft. Liefdevol en teder, streng en rechtvaardig, onbarmhartig en tiranniek. God is je Vader betekent: God is net als je vader. Als je geen vader hebt, neemt je moeder het over of een andere opvoeder. Het zit nog net niet in je genen, waar wel in alle opvoedings- en andere grootgroeikanalen. Je ademt je godsbegrip in en je ademt het uit. Natuurlijk kan het worden bijgesteld, maar daar gaat heel wat tijd en therapie overheen. En bij de meesten blijft het ongemerkt voortbestaan. Zó ongemerkt, dat als je inmiddels wéét dat God liefde is, Hij dat is op de manier van jouw vader. Barmhartigheid, genade, rechtvaardigheid, goedertierenheid of wat voor woorden je ook maar mag bedenken. Ze hebben allemaal hun kleur gekregen in je opvoeding. Niet door een woordenboek of een lesboek. In de soms harde praktijk van het leven. Dat godsbegrip nemen we mee als we ons bekeren. Natuurlijk verandert er iets als we "tot geloof komen". Ook dat is bij iedereen verschillend, maar altijd is er het begrip uit het verleden. Ook als dat begrip veránderd is is ons nieuwe godsbegrip gerelateerd aan dat uit het verleden. Niemand komt tot een juist godsbegrip door alleen maar de Bijbel te lezen of een cursus te volgen. Toch is iedereen er als de kippen bij om zijn of haar godsbegrip voor algemeen geldend te verklaren. Dat is wel te begrijpen, maar overigens volstrekt verwerpelijk. Als God Zelf al zegt dat we van Hem geen beeld moeten maken, wij dat vervolgens tóch doen en dan ook nog anderen dwingen ervoor te buigen, is dat niks meer of minder dan afgodendienst. Het lijkt heel vroom, maar het maakt de gemeente van God kapot! Als we daar nu eens al eerste afkomen. Van al onze godsbeelden! Er zijn geen goede godsbeelden. Die van mij niet en die van niemand niet. God is liefde, rechtvaardigheid, gerechtigheid, alwetendheid, een oude man met een baard (dat denkt bijna niemand meer) of een doorluchtige geest die lijkt op niets en dus iets is (heel erg in tegenwoordig). En al gauw weten we zeker dat Hij wil dat we zwarte kleren of rokjes aantrekken. Dat Hij wil dat we langzaam zingen of juist heel veel of snel. Dat Hij boos is of juist nooit kwaad kan worden. Het komt uit onze tenen, want het is zo vertrouwd. De allereerste bekering moet die zijn van ons godsbeeld, zodat we ook anderen weer de ruimte kunnen gaan geven zichzelf te zijn! Het gaat ons niet aan hoe een ander met God omgaat. "Of hij staat of valt gaat zijn eigen heer aan". Verwerpelijke betweterigheid leidt tot kerkscheuringen en persoonlijke vetes. Over de beschadigde zielen van kinderen van God, die zo snel mogelijk wordt geleerd zich te gedragen!! Niet op weg naar de vrijheid. Maar in de gevangenis van de overwegende mening in een bepaalde christelijke denominatie, kerk of gemeente. Laten we nu eens praktisch maken wat we geloven. Jezus zegt:"Niemand heeft ooit God gezien". Dat alleen al is voldoende argument om nooit meer aan anderen ons verwrongen godsbeeld op te dringen. Erover praten is trouwens nog iets anders dan opdringen. We moeten heus onze gedachten uitwisselen, want alleen sámen zullen we iets van begrijpen. Maar dat impliceert wel meer luisteren dan praten. Dat heeft nóg een voordeel: wat je zegt weet je allang. Dus leer je niks, zolang je praat. Toch?

19 juli 2011

De God van mijn vader XX "wachtmeester der rijkspolitie"


Papendrecht was mijn eerste standplaats als politieman. Ik ging weer thuis wonen. H.I.Ambacht naar Papendrecht was goed te doen. Een jaar lang mocht je daar dienst doen als wachtmeester van de jongste categorie. Ik was achttien. Had net mijn rijbewijs en voelde me volwassen. Het uniform, een pistool op je heup en met een arm op het open raam in de politieauto surveilleren. Het was een bijzonder beroep. Mensen keken naar me en ik liet me bekijken. De wereld ging open en er ging een wereld voor mij open. Geloof bleef me op de hielen zitten. De angst der hel werd wat minder, maar het besef dat God er was en dreigend boven mijn bestaan hing bleef. Ik werd voor het eerst in mijn leven geconfronteerd met echte misère. Relatieproblemen (toen noemden we dat nog echtelijke twist), vechtpartijen, messengevechten, ernstige aanrijding, zelfdoding van een jong iemand die van een flat sprong. Dood en leven kwam op een onvoorstelbare manier dichterbij. Thuis praatte ik er nauwelijks over. Twijfel was een taboe. Geloven was je aan de regels houden en verder niks. Want er was niks, behalve dan de poort van de uitverkiezing, al dan niet. In dezelfde tijd kwamen de Provo's, de kabouters, de seksuele revolutie en nog wat aardverschuivingen voorbij. Ik begon uit te gaan, in Dordrecht met vrienden. Bier was een onmisbaar element en ik merkte al snel dat bier je vrij maakte. Nu zou ik het misschien los-bandig noemen, maar toen voelde het als vrijheid. Eindelijk werd ik iemand en ik lag er niet eens van wakker ook. Slaap en dronkenschap vermengden zich tot een heerlijke, haast zalige toestand. Stoer in het politiepak en verder behoorlijk aan het stappen veranderde ik. En niet alleen ik. Ook mijn gedachten over wie God was. Dat had zeker te maken met de dingen die ik zag. De wanhopige jongen, die van de sterflat in Papendrecht afsprong. De levenslang verminkte man die de aanrijding net wél overleefde, maar zijn leven zag instorten. De vloekende en tierende kroegverlaters. De alleenstaande moeder die bedreigd werd door haar ex.

18 juli 2011

De God van mijn vader XIX Vooroordelen!


Dodelijk is het. Of op zijn minst pijnlijk. En we zitten er vol mee. Vooroordelen maken deel uit van ons leven en misschien wel vooral van ons kerkelijk leven. Ik zal beginnen met de excuses. Dan hoeven we die later niet meer te noemen. We zijn zo opgevoed, je kunt het zo zien, iedereen doet het, anderen vinden het ook. Misschien zijn er nog meer, maar dat merken we later dan wel. Ze was de kerk binnengekomen als een moderne, ietwat wulps geklede dame. Veel lippenstift, hoog opgemaakt. Lage V-hals en nylons met een naad. Hakken van 6 centimeter, van die dunne. Ze trekt ook nog eens een gezicht alsof ze niets van je moet hebben. Duidelijk uit de hoogte. Vind je het gek. Mensen van de wereld zien ons als achterlijk en dat doet zij dus ook. Ze kwam ook op het laatste moment de kerk binnen. Moest zeker eens even kijken wat dat achterlijke clubje daar aan het doen was, maar zit duidelijk verkeerd. Tijdens het zingen kijkt ze super ongeïnteresseerd. Zou me niks verbazen als ze zo opstapt. En zo gebeurt het! Met een hooghartig en verbeten trek om haar mond staat ze op en loopt weg. Op zoek naar de plek waar ze wel veilig is. Ooit had ze gehoord van haar opa, dat er een God was die mensen liefhad. Dat er ergens een veilige plek was, maar dat die God wel heel hoog, heel heilig was. Jarenlang was haar leven een hel geweest, en nog. Die nacht had ze zich ziek gemeld bij haar vriend, nou ja vriend, pooier zeg maar. Ze had er geen zin in gehad het "feest" weer mee te vieren. Diep van binnen wilde zij naar God. Aanvaarding en liefde door een hoge, heilige God. Ze had zich mooi opgemaakt en haar bruiloftskleren aangedaan. Ze ging ten slotte niet gewoon op visite, maar zou naar het huis van God gaan. Die dag was de laatste dag van haar verlangen. Ze kon bij niemand terecht. En bij God al helemaal niet. De oudere zonen en dochters stonden werkelijk te wachten tot ze weer vertrok. Ze snapte het ook wel. Veel meer dan een hoer was ze niet. Daar paste God niet bij en zij niet bij God.

Zo zijn wij niet, natuurlijk. Wij zouden haar wel opvangen, net als Jezus de Samaritaanse vrouw. Zolang het maar geen jongens zijn met oorbelletjes of meisjes die geen bijbel bij zich hebben. Zolang er maar geen gekke dingen de kerk binnen komen, zoals gillende gitaren en veel te harde drums...of hoe heten die dingen.

Jannie was een vreemde. Ze liet nooit echt het achterste van haar tong zien. Ze zat er maar en zong soms wel erg uitbundig mee. Wat moet je met zo iemand. Niet echt een afwijking, maar wel afwijkend gedrag. Laat maar, ik kan en wil er niet mee omgaan.

Simon werkt bij de politie, dus die is kort door de bocht, zij is poetsvrouw, ach dat heet niet meer zo, maar veel bijzonders is het niet. Zij doet de was op zondag, hij wast zijn auto, die kunnen gewoon niet bekeerd zijn.

We hebben ons vooroordeel klaar over bijna alles en iedereen. Kijk maar eens wat je tegen elkaar zegt als je weer naar huis gaat na de kerk. Wat deed hij raar, wat vond je van Piet en hoe kwam het toch dat Jansje er alweer niet was.

Vooroordelen zijn dodelijk. Mensen gaan zich ernaar gedragen of minstens denken wij dat. De mooie mensen die God gemaakt heeft stoppen wij het liefst direct in een hokje, zodat we er geen omkijken meer naar hebben. Een hokje werelds, homo's, gescheiden mensen, a-socialen, oud-gereformeerden.

Zelf knielen wij eerbiedig neer en belijden God onze zonden. Vergeef ons onze schulden, gelijk wij ook aan anderen vergeven. De hemel is allang gesloten. Het hemelse antwoordapparaat staat al aan. "Helaas ben ik op dit moment afwezig. De verbinding wordt verbroken."
Dat kan helemaal niet, zei iemand tegen me. God is er altijd! En verbreekt de verbinding nooit. Toch wel, bij hoogmoed kan hij niet wonen. Bij oordeel ook niet. Gezonde mensen hebben geen God nodig, dus verdwijnt Hij gewoon. Dat merkt toch niemand.

16 juli 2011

De God van mijn vader XVIII De politieschool.

Ik had nooit gedacht dat er zo'n school was. Je werd als politieman geboren of zoiets. Maar ineens zit je met vijfentwintig man aan een aantal tafels, waarop "klasse B" staat. Die klassen lopen van A tot H, zodat er zo'n 200 nieuwe mannen klaarstaan om tot politieman getraind te worden. Vrouwen had je toen nog niet bij de politie. Het was een vreemde gewaarwording voor een jongen van zeventien jaar om tussen rijp en groen te zitten. Komend uit alle soorten van bevolking. Geloof speelde hier voor het eerst in mijn leven géén rol. Ik merkte wel dat ik iedereen zat in te schatten. Zouden die wél of niet kerkelijk zijn. Waar kwamen ze vandaan. Doodeng vond ik het. Aan het hoofd van de tafel zaten twee geüniformeerde mannen. Dat was toen nog bijzonder voor mij. Een paar dagen later liep ik zelf in uniform. De politieschool duurde normaal één jaar. Voor mij werd het anderhalf jaar. Ik was tenslotte een arrogant, eigenwijs jongetje, waar met "harde hand" nog iets van te maken viel. En dat heb ik geweten. De harde hand van de politieschool was over mij. Wel veertien keer mocht ik het weekend niet naar huis omdat ik me ernstig misdragen had. Het ging dan over een sleutel in de kast, bed niet opgemaakt of niet onmiddellijke protestloze gehoorzaamheid aan een zwaar onterecht gegeven bevel. Vooroordelen wegen sterk en zelfs als je (nog) niet weet dat er zo'n vooroordeel tegen je is ga je jezelf ernaar gedragen. Ik genóót van de lessen, de wettenkennis, opgedaan uit Stapel & de Koning, het praktische optreden, de sportlessen. Atletiek en vechtsporten. Ik voelde me bevrijd van thuis met de hele religieuze, kerkelijke santenkraam erbij. Wat dát betreft kwam ik tot leven, maar de ijzeren discipline nekte me. Het zou me een leven lang kosten om dat een plek te geven. Ik ben er nog mee bezig.

14 juli 2011

De God van mijn vader XVII de preek (2)

Na de preek spreken we óver de preek en niet over de préék. Dat is een cruciaal verschil. Als we óver de preek spreken vinden we hem te lang, te kort, te heftig, te persoonlijk, te weinig bijbels, te biblicistisch, te diep, te licht en nog zo'n tweehonderd kwalificaties. Als we over de préék spreken hebben we het over de manier waarop wij met dat wat óns aansprak omgaan. Of we ons willen bekeren of niet. Dat gebeurt te weinig.

De preek is een gevoelig onderwerp. Welke Bijbelvertaling gebruik je. Wat voor taal gebruik je. Tale Kanaäns hoeft "bij ons" niet maar het moet ook weer niet al te gek worden. Toen ik naar aanleiding van een vreselijke moord op een aantal kinderen liet vallen dat ik de wereld maar "shit" vond, moest ik daarna diep door het stof. Dát was geen kanseltaal. We mogen en moeten wel ongelovigen aanspreken, maar dan ook liefst weer niet met de woorden van vandaag. Als je zorgt dat je net tien jaar achterloopt heb je weinig problemen, behalve met de jeugd dan want die zat tien jaar geleden nog in de kleuterklas. Is de preek een uitleg van de Bijbel of een appèl om te veranderen? Moraliserend of lerend. Afstandelijk of dichtbij?

Preken is prachtig. Het is de grootste uitdaging ter wereld, die zonder de influistering van de Geest niet mogelijk is. Die een gedegen voorbereiding behoeft om je in te leven in dat wat je woorden zullen doen. Die geboren wordt in een diepgaande worsteling. Die gebracht wordt met vrezen en beven. Het blijft ook heel wonderlijk dat de preek de eeuwen overleeft. En zelfs de televisie, internet en alle digitale geweld. Soms met een knipoogje naar een power point, maar dikwijls ook gewoon als verhaal.

Preken is prachtig én onmogelijk. Waar komt het vandaan? Wie wil er dat we preken. Is het een soort christelijk cabaret, een wekelijkse, goddelijke troonrede of gewoon een verhaal van een podiumverslaafde? Wat moet er wel en wat moet er niet. En als er dan gepreekt moet worden (ik hoop het!) waarover en hoe en met welk gezag. Ik preek voor eigen parochie, maar wellicht zijn er ook plaatsen waar de preek juist van de kansel áf moet. De afstand is te groot geworden. Niemand begrijpt het meer. De tale Kanaäns weergalmt en als er een preek wordt "gelezen" is dat er een van een oud-vader (brrr....wat is dat) die preekt voor zijn parochie, maar inmiddels in vele opzichten uit de tijd is. Ik pleit voor de preek, maar dan een preek die spreekt! Een preek die raakt, jong en oud, slim en minder slim, christen en niet christen, nou ja, de onmogelijke preek zeg maar.

13 juli 2011

De God van mijn vader XVII de preek (1)


De preek is een raar fenomeen. In de kerk zijn we eraan gewend, maar wel aan heel verschillende soorten preken. In de Rooms Katholieke traditie wordt ook gepreekt, maar is de eucharistie het belangrijkste onderdeel van de dienst. Ooit bezocht ik een kerkdienst, waarin de pastoor zich verontschuldigde voor zijn zere keel. Hij zou niet preken vandaag, dus was er alleen maar eucharistie. Ik vond het prachtig! Het zou in een protestantse eredienst niet kunnen. Dan léést er wel iemand een preek, maar gepreekt moet er worden. Waarom eigenlijk? Dat is op zichzelf al een onbehoorlijke vraag. Waarom moet er gepreekt worden. Waarom vieren we niet eens alleen avondmaal? En als er gepreekt wordt, wat is daarvan dan de bedoeling? In een orakel Gods woord doorgeven? Zo wordt het dikwijls gezien. Ronduit griezelig is het hoe ik soms word aangekondigd. We gaan nu luisteren naar het Woord van God, mag ik u verzoeken broeder? En daar ga ik dan om het Woord van God te preken.

Ook daar zit een ontwikkeling in. In evangelische kringen was en is het dikwijls de gewoonte om te zeggen dat je spreekt. Wij zeggen niet:"wie preekt er vandaag?" maar " wie spreekt er vandaag?" Gelukkig is dan het antwoord niet God. Ik vermoed zelfs dat het uit tegenovergestelde overweging voortkomt. Preken was te hoog verheven en onaantastbaar. Spreken moest het zijn, want dan kon er één spreken en de anderen toetsen. Dat is twee kanten uitgegaan. Aan de ene kant wordt er alleen nog maar getoetst. Iedereen weet altijd alles beter en zal dat laten merken ook. Een preek is "maar" een spreek en wij controleren het op juistheid. De andere kant is de vergoddelijking. Een spreek wordt dan een orakel, onaantastbaar en rechtstreeks uit de hemel.

De preek is het mooiste en het meest onmogelijke wat er bestaat. Houdt maar eens een toespraak voor een paar honderd (of meer of minder) mensen. De groep bestaat uit mannen én vrouwen in de leeftijd van twaalf (soms vier!!) tot honderd jaar. Het hele scala van opleiding zit er tussen. Mensen die het lager onderwijs (basis onderwijs tegenwoordig) te moeilijk vonden en mensen met een universitaire opleiding. Gelovigen met een zwaar gereformeerde achtergrond en teleurgestelden uit al te charismatische gemeentes. (Ik spreek even over mijn eigen situatie). Zieke, gewonde, teleurgestelde mensen, die soms bijna van het geloof afhaken en pas bekeerde jong gelovigen die uit hun dak gaan "voor de Heer". Vrienden en familie, vijanden (die je natuurlijk ook liefhebt) en onbekeerde bezoekers die eens komen kijken. Om nog maar te zwijgen van al die gezichten die je persoonlijk kent mét hun persoonlijke geschiedenis, soms van teleurstelling in God, ernstig seksueel misbruik in hun jeugd of angst voor de "god der wrake" Kortom, de doelgroep is de hele wereld en die valt niet te definiëren.

Campo Minado! Yellow&Blue